STIJL BEN JE ZELF

Hijgend schuift de vriendin aan mijn tafeltje, zich uitputtend in excuses. Maar ik neem haar niets kwalijk. Integendeel.

Ik heb een heerlijk uurtje gehad met een boek dat thuis weliswaar op mijn stapeltje nog te lezen boeken ligt, maar daar steeds verder in wegzakt. Zo gaat dat vaak met engelse titels. Ze laten zich verdringen door Nederlandstalige boeken, die meestal moeitelozer een weg naar mijn hoofd en hart vinden.

Maar William Zinsser slaagt daar vanaf de eerste zin in het engels in en als ik thuis kom van de lunch, popel ik om verder te lezen. Maar eerst streep ik alles aan wat me al is opgevallen en wat ik wil onthouden.

Hoofdstuk 2 heet Simplicity en daarin onthult Zinsser het geheim van goed schrijven: Schrap elk element dat geen nuttig werk verricht. Hij geeft er meteen een paar voorbeelden van: elk woord zonder functie, elk lang woord dat een kort woord kan zijn, elk bijwoord dat dezelfde betekenis heeft als het werkwoord, elke lijdende vorm die de lezer laat raden naar wie wat doet.

Hij werkt de gedachte uit in de rest van het boek en concentreert zich op journalistieke vormen: interviews, reisverhalen, levensverhalen, en wetenschappelijke artikelen over techniek of kunst. Op non-fictie dus. Maar zijn wijze lessen zijn ook toepasbaar op fictie.

            Ik lees het boek in een paar dagen uit en als ik het dichtsla, staat het vol strepen en uitroeptekens.

Is het dan zo anders dan de schrijfboeken die ik al ken? Nee en Ja.

Nee, omdat de basisregels van eenvoud en doelmatigheid ook in Nederlandse schrijfboeken te vinden zijn. Ja, omdat de beeldende taal en de humor de boodschap indringender overbrengen. Het boek onderscheidt zich dus door stijl.

En over stijl zegt Zinnser: Stijl ben je zelf. En dat is wat de schrijver aan de lezer verkoopt: zichzelf! Niet zijn tekst of zijn onderwerp maar zijn eigen persoon.Daarom kun je stijl niet ‘toevoegen’. Dat is als het dragen van een toupet.

Stijl komt na vakmanschap. Met kennis van materiaal en gereedschap bouw je een verhaal zoals je een huis bouwt. Eerst de basis en bij schrijven is die: heldere, functionele taal. Daarna komen de randjes en versieringen.

            Zinsser beschouwt werkwoorden als belangrijkste gereedschap. Ze zijn beeldend en hebben vaart en stuwkracht. Neem de zin waarmee hij beschrijft hoe hij een uur doet over een paar zinnen: ‘Finally I wresteld them into place’.

Ik vind het een zin om boven mijn bureau te hangen. Schrijven is soms een gevecht. Voor iedereen.

Zinnsers boek krijgt een ereplaats op mijn plank met schrijfboeken maar niet voordat ik een laatste wijsheid heb prijsgegeven: Zorg de lezer achter blijft met één nieuwe gedachte, niet met twee of drie. Eén is genoeg.

En op het gevaar af dat hij deze zin als overbodig zou schrappen, formuleer ik de gedachte die de lezer aan deze column moet overhouden: dat boek moet ik lezen!