DAT. IS. EEN. WET.

 

De man kán schrijven. Zijn taal is helder en hij gebruikt fraaie beelden. De lijn in het verhaal is echter onduidelijk. Steeds opnieuw verliest de schrijver zich in flashbacks en omdat hij in één terugblik verschillende periodes onderzoekt (in een herinnering aan zijn studententijd, duiken ook gebeurtenissen uit zijn middelbare schooltijd op) is er herhaaldelijk sprake van een zgn. tangconstructie. Dat brengt de lezer onnodig in verwarring.

 Bovendien houden de flashbacks het verhaal op. Dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Een sprong in het verleden kan nodig zijn om het heden te verduidelijken. Om uit te leggen waarom een personage doodsbang is op een roltrap kun je volstaan met het vermelden dat hij ooit een doodsmak van een roltrap heeft gemaakt. Maar als het een belangrijk gegeven is in het verhaal, is het indringender om de scène met de doodsmak nauwkeurig te beschrijven. Dan ga je dus terug in de tijd.

Een tijdsprong moet op het juiste moment aan de lezer opgedist worden, anders ervaart hij hem als storend. In dit manuscript is dat soms het geval. Juist als ik wil weten hoe het verder gaat, word ik teruggeslingerd in de tijd. Dat kan een manier zijn om spanning op te bouwen maar als het te vaak gebeurt, roept het frustratie op.

Overigens is er niets mis met de grammaticale tijd in de flashbacks van dit manuscript.  Ik weet nog hoe ik daar zelf mee worstelde toen ik mijn eerste boek schreef.

Het leek me grammaticaal juist en consequent om in flashbacks de voltooid verleden tijd te gebruiken. Ik schreef dus pagina’s vol met zinnen als: ze hadden een tijdje staan praten en waren daarna samen naar het station gelopen. Hij had gezegd dat hij er spijt van had en toen had ze hem een zoen gegeven en was ze opgelucht in de trein gestapt.

Al tijdens het schrijven, bekroop me een onplezierig gevoel. Wat een omslachtige zinnen. Dat las toch niet lekker?

Ik veranderde alle zinnen in de onvoltooid verleden tijd. Ze stonden een tijdje te praten en liepen daarna etc.

Hier zat meer vaart, voelde ik. Maar ‘mocht’ dat wel? Was het zo wel duidelijk dat het een tijdsprong was?

Een bundel van Ischa Meijer maakte een eind aan mijn twijfels. Ik vond er een interview met Jan de Hartog in, Het vak heette het. En hierin vertelde de Hartog over de tips van Somerset Maugham. “Dan zei Maugham: ‘Je mag een flashback alleen maar inleiden met een voltooid verleden werkwoordsvorm, waarna je gewoon weer verder gaat in de onvoltooid verleden tijd. Wie in de voltooid verleden tijd doorgaat, wordt onherroepelijk vervelend. Dat. Is. Een. Wet.’”

Sinds die tijd houd ik me aan die wet. Je hoeft niet alles zelf uit te vinden. Soms doen anderen dat voor je.